V
Terwijl verderop en zeven verdiepingen lager mensen in een depressieve ochtendfile stonden te kijken naar de druppeltjes op de voorruit, kon Julek niet kiezen welke sokken hij vandaag zou dragen. Hij was wakker geworden van de herrie van zijn bovenbuurvrouw, die door haar dikte niet kon bewegen zonder aardbevingen te veroorzaken en zich daar niet voor schaamde, en bovendien niet aan andere mensen dacht. Het water voor de aanmaakkoffie had al gekookt en stond nu ongestoord af te koelen, maar Julek was nog met zijn sokken bezig. Hij had de mogelijkheden weten terug te dringen tot twee laatste opties: een nieuw paar met Mickey Mouse erop en een ouder, zwart paar. Over dit, in de ogen van sommigen, kleine onderwerp hoorde hij zijn hoofd tientallen stemmen die het niet met elkaar eens wisten te worden en door elkaar schreeuwden. Er was een kamp dat voortdurend met nieuwe redenen vóór de nieuwe en tegen de zwarte sokken kwam, een kamp dat vurig pleitte tegen het dragen van de nieuwe en vóór het dragen van de zwarte, en ten slotte was er in het midden een cynische groep die vond dat het allemaal niet uitmaakte, want we gingen toch dood. (En onder hen waren enkele leden die vonden dat je júíst in een zinloos, op de dood afstevenend leven zelf betekenis moest vinden in kleine dingen zoals de juiste sokken dragen.)
Ondertussen was het water te koud geworden om nog goede koffie van te kunnen zetten.
IV
Het was al laat in de dauwige ochtend toen Julek in zijn zachte bed wakker werd gemaakt door een dof gebonk. Hij probeerde het te negeren en verder te slapen, maar hoe harder hij probeerde het niet te horen, hoe duidelijker de donkere tonen zich uitspraken. Met een zucht trok hij zijn lichtblauw gestreepte dekens tot over zijn hoofd, maar ook hier in zijn eigen lichaamslucht was het niet stil. Hoopvol kroop hij richting het hoofdeind, stak zijn hoofd onder zijn kussen maar werd ook daar begroet met een zwaar gedreun. Zonder zijn ogen te openen ging hij met zijn handen op zoek naar Mo de Beer, vond hem ergens ter hoogte van zijn knieën en drukte uiteindelijk de poten van het dier tegen zijn oren. Het was nu stil, maar tot zijn ongenoegen bemerkte Julek dat hij niet lekker kon liggen als hij met twee handen de poten van een knuffeldier tegen zijn hoofd moest houden. Teleurgesteld deed hij zijn ogen open, keek verloren in Mo’s zwarte parelogen, en besloot te berusten in het onvermijdelijke lot.
II
Julek deed zijn ogen open en voelde zich meteen treurig. Aan het soort licht dat door het kiertje tussen de gordijnen door kwam, zag hij dat het een grijze dag was met een vieze uitgesmeerde hemel, en dat betekende dat hij verdrietig zou zijn. Verder betekende het niets want de dingen gingen gewoon hun gang, maar dan wel ondergedompeld in een pijnlijke bijna-kleurloosheid, zonder schaduwen. Het vooruitzicht daarop stemde Julek treurig. Sommigen zeiden dat hij te gevoelig was.
Beseffend dat hij niet verder zou kunnen slapen, vindend dat een mens zelf moest kunnen beslissen wanneer hij in slaap viel, en geen begrip hebbend voor de Schepper die het daar niet mee eens was, stond hij met hangende schouders op. Het leven was niet zwaar, maar zijn schouders waren zwak.