IV.1

Het was al laat in de dauwige ochtend toen Julek in zijn zachte bed wakker werd gemaakt door een dof gebonk. Hij probeerde het te negeren en verder te slapen, maar hoe harder hij probeerde het niet te horen, hoe duidelijker de donkere tonen zich uitspraken. Met een zucht trok hij zijn lichtblauw gestreepte dekens tot over zijn hoofd, maar ook hier in zijn eigen lichaamslucht was het niet stil. Hoopvol kroop hij richting het hoofdeind, stak zijn hoofd onder zijn kussen maar werd ook daar begroet met een zwaar gedreun. Zonder zijn ogen te openen ging hij met zijn handen op zoek naar Mo de Beer, vond hem ergens ter hoogte van zijn knieën en drukte uiteindelijk de poten van het dier tegen zijn oren. Het was nu stil, maar tot zijn ongenoegen bemerkte Julek dat hij niet lekker kon liggen als hij met twee handen de poten van een knuffeldier tegen zijn hoofd moest houden. Teleurgesteld deed hij zijn ogen open, keek verloren in Mo’s zwarte parelogen, en besloot te berusten in het onvermijdelijke lot.

De herrie kwam van boven, van Juleks gehate bovenbuurvrouw, hoewel hij dat haten voor zichzelf stellig ontkende. Geërgerd en zich ergerend stond hij op en liep naar de keuken om koffie te zetten, terwijl hij heel bewust een lichtblauwe pyjama droeg met een raket op de borst. Hij liep als iemand die, na jaren in coma te hebben gelegen, aarzelend en vol pijn zijn eerste stappen zette. Dat was eigenlijk maar aanstellerij, vond hij, en liep toen maar weer gewoon en rechtop. Zo lang had hij nou ook weer niet geslapen. Hij zou zo lang hebben geslapen, als die hoer daar boven haar hersenloze achterstandswijkmuziek niet zo hard had gezet.

IV

Het was al laat in de dauwige ochtend toen Julek in zijn zachte bed wakker werd gemaakt door een dof gebonk. Hij probeerde het te negeren en verder te slapen, maar hoe harder hij probeerde het niet te horen, hoe duidelijker de donkere tonen zich uitspraken. Met een zucht trok hij zijn lichtblauw gestreepte dekens tot over zijn hoofd, maar ook hier in zijn eigen lichaamslucht was het niet stil. Hoopvol kroop hij richting het hoofdeind, stak zijn hoofd onder zijn kussen maar werd ook daar begroet met een zwaar gedreun. Zonder zijn ogen te openen ging hij met zijn handen op zoek naar Mo de Beer, vond hem ergens ter hoogte van zijn knieën en drukte uiteindelijk de poten van het dier tegen zijn oren. Het was nu stil, maar tot zijn ongenoegen bemerkte Julek dat hij niet lekker kon liggen als hij met twee handen de poten van een knuffeldier tegen zijn hoofd moest houden. Teleurgesteld deed hij zijn ogen open, keek verloren in Mo’s zwarte parelogen, en besloot te berusten in het onvermijdelijke lot.

III

De zon, verlegen achter wat toevallig langsdobberende wolken, kwam nog maar net op toen Julek zich langzaam begon te beseffen dat hij in zijn bed lag, hoog in de grijze toren aan de rand van de stad, en hij was niet bepaald opgewekt. Dat was geen unicum, dus diep hoef ik er niet op in te gaan. Voor Julek was alles grijs.

Het glimmende wekkertje, met echte wijzers en zonder digitaal scherm, dat rustig tikte alsof er niks aan de hand was, wat in zekere zin ook klopte, gaf aan dat het zeventien minuten over acht was. Om op tijd op school te zijn (of, voor wie daar waarde aan hecht: ‘college’, ‘de universiteit’) zou hij om negen uur eruit moeten, dus dat was mooi belabberd. Te laat om weer in slaap te vallen en te vroeg om er alvast uit te gaan. Het was altijd te vroeg om eruit te gaan.

Met één oog gluurde hij zijn kamer rond om te zien of het vandaag misschien allemaal meeviel. Het grijze licht dat tussen de gordijnen door prikte bewees het tegendeel (hoewel een wetenschapper met een speciaal metertje er - mierenneukerig - op zou hebben gewezen dat er behalve dof wit licht ook wat gele, rode en paarse nuances tussen zaten, maar die waren niet uitgesproken genoeg om Julek op te vallen).

Hoewel hij geen ernstige problemen had met zijn motoriek en ook alle lichaamsdelen had die een mens doorgaans aan zijn romp had hangen, strompelde hij als onder het effect van een kater naar de gordijnen, terwijl hij nooit dronk. Hij opende in één beweging beide gordijnen en werd tot zijn ongenoegen verblind door de afwezigheid van een fatsoenlijk schijnende zon, draaide zich met een zucht om en beschouwde zijn leefruimte. Alles zag er behoorlijk grijs uit en omdat hij wist dat de tafel geel hoorde te zijn, het bureau blauw en de poten onder het bed roze, besloot hij dat het gratis licht van buiten weinig toevoegde, en sloot de gordijnen.

II

Julek deed zijn ogen open en voelde zich meteen treurig. Aan het soort licht dat door het kiertje tussen de gordijnen door kwam, zag hij dat het een grijze dag was met een vieze uitgesmeerde hemel, en dat betekende dat hij verdrietig zou zijn. Verder betekende het niets want de dingen gingen gewoon hun gang, maar dan wel ondergedompeld in een pijnlijke bijna-kleurloosheid, zonder schaduwen. Het vooruitzicht daarop stemde Julek treurig. Sommigen zeiden dat hij te gevoelig was.

Beseffend dat hij niet verder zou kunnen slapen, vindend dat een mens zelf moest kunnen beslissen wanneer hij in slaap viel, en geen begrip hebbend voor de Schepper die het daar niet mee eens was, stond hij met hangende schouders op. Het leven was niet zwaar, maar zijn schouders waren zwak.

I

Het was de duizendste keer dat Yulek wakker werd in het grijze appartement, hoog in een van de gigantische grijze torens, die als een tuinhekje om het eeuwenoude stadscentrum stonden. Hij vierde het jubileum niet, omdat duizend geen veelvoud is van drie honderd vijf en zestig, ook niet als je een eventuele schrikkeldag meetelt. Hij was zich er ook niet van bewust.

Één ogenblik voor het openen van zijn ogen ging zijn onderbewustzijn er nog vanuit dat hij in de kamer lag waar hij precies duizend nachten geleden nog had gelegen, in het ouderlijk huis tussen het gras en de bomen, en een lichte verbazing maakte zich van hem meester toen hij een moment later een muur zag waar volgens zijn ruimtelijk inzicht een deur had moeten zitten.