III

De zon, verlegen achter wat toevallig langsdobberende wolken, kwam nog maar net op toen Julek zich langzaam begon te beseffen dat hij in zijn bed lag, hoog in de grijze toren aan de rand van de stad, en hij was niet bepaald opgewekt. Dat was geen unicum, dus diep hoef ik er niet op in te gaan. Voor Julek was alles grijs.

Het glimmende wekkertje, met echte wijzers en zonder digitaal scherm, dat rustig tikte alsof er niks aan de hand was, wat in zekere zin ook klopte, gaf aan dat het zeventien minuten over acht was. Om op tijd op school te zijn (of, voor wie daar waarde aan hecht: ‘college’, ‘de universiteit’) zou hij om negen uur eruit moeten, dus dat was mooi belabberd. Te laat om weer in slaap te vallen en te vroeg om er alvast uit te gaan. Het was altijd te vroeg om eruit te gaan.

Met één oog gluurde hij zijn kamer rond om te zien of het vandaag misschien allemaal meeviel. Het grijze licht dat tussen de gordijnen door prikte bewees het tegendeel (hoewel een wetenschapper met een speciaal metertje er - mierenneukerig - op zou hebben gewezen dat er behalve dof wit licht ook wat gele, rode en paarse nuances tussen zaten, maar die waren niet uitgesproken genoeg om Julek op te vallen).

Hoewel hij geen ernstige problemen had met zijn motoriek en ook alle lichaamsdelen had die een mens doorgaans aan zijn romp had hangen, strompelde hij als onder het effect van een kater naar de gordijnen, terwijl hij nooit dronk. Hij opende in één beweging beide gordijnen en werd tot zijn ongenoegen verblind door de afwezigheid van een fatsoenlijk schijnende zon, draaide zich met een zucht om en beschouwde zijn leefruimte. Alles zag er behoorlijk grijs uit en omdat hij wist dat de tafel geel hoorde te zijn, het bureau blauw en de poten onder het bed roze, besloot hij dat het gratis licht van buiten weinig toevoegde, en sloot de gordijnen.